
Letterdoosje.
Bij dit leesplankje hoorde een blikken letterdoosje. De lettertjes hadden twee kleuren. De klinkers blauw en de medeklinkers zwart.
Het doosje heeft een diameter van 7,5 cm en is 3 cm hoog en bevat eenenzestig lettertjes.
Dit letterdoosje is in mijn bezit.

Klassikaal leesbord.
Dit is het klassikale leesbord van Becker. De gehele breedte van het leesbord bedraagt 1.80 meter. Eventueel met standaard maar kon ook aan de muur gehangen worden. Tevens was het bord scharnierend en kon in de breedte ingeklapt worden.
De vertelselplaat ( de grote plaat boven de kleine plaatjes) is op het bord gemonteerd. Eerst werd de kinderen geleerd wat er op dit tafereel stond. Dit werd gedaan door een geschiedenis verhaal te vertellen door middel van de grote plaat waar alle woorden in voor kwamen. Bij het aanwijzen van de plaatjes moesten de kinderen de woorden duidelijk opzeggen. De kinderen lezen dus al voordat ze de letters kennen. Daarna werden de letters / woorden geleerd door de afzondelijke letterklanken te laten horen. Bijvoorbeeld het woord “aap”. Eerst het hele woord opnoemen goed lettend op het lettergeluid “p”. Daarna werd de “p” van het bord afgehaald en bleef de “aa” over. Deze klank werd weer herhaald. Dit werd met alle woorden gedaan. Eerst alle laatste letters daarna de voorste en uiteindelijk de tussenletters. Later werden verschillende letters samengevoegd in de richel en konden de leerlingen nieuwe woordjes bedenken. Op het krijtbord werden tekeningen gemaakt van voorwerpen die door de kinderen geraden konden worden. Deze worden werden dan weer door samengestelde letters op de richels geplaatst.
Dit leesbord heb ik in bezet, echter is dit een afbeelding van een ander leesbord.










Leesboekjes “ik lees al”.
Bij dit plankje hoorden tien leesboekjes. In tegenstelling tot de eerder uitgegeven boekjes ‘Boschbloempjes” waren deze boekjes groter van formaat, de omslag is in meerkleurendruk en de boekjes bevatten meer illustraties. Hoofdprincipe van de methode “ik lees al” was voortdurend de vergelijking van het gesproken woord met het geschreven woord. Reynders en Doumen wilden dat het godsdienstig element behoorlijk in de boekjes moest spreken. Als uitzondering werd het woordje “God” (met een eind-d) gebruikt. Voor deze tekortkomingen werden gekleurde plaatjes met een godsdienstige voorstelling zonder tekst erbij geplaatst.
Het eerste deeltje ging over:
het leren van de ch. Het leren van de en het.
De moeilijkheid met eer en oor – ei en ij.
Bevatte nieuwe normaalwoorden (met twee bladzijden tekenvoorbeelden). Hoe men het eerste boekje al kon gebruiken, nog voor het gelezen werd.
Het tweede deeltje behandelt de b, d, h, k, p, t als beginletter. Ook werd de eindletter gbehandeld en stond er vertelplaten in.
Het derde deeltje bevatte de gt en cht op ’t einde van de woorden. De toonloze e.
De uitgang eur en twee vertelplaten
In het vierde deeltje werden de open klinkers en de hoofdletters behandeld. Ook staan er twee vertelplaten in.
Het vijfde leesboekje werd de ng de aai, ooi en oei geleerd. Ook de woorden als nestje en kastje. Alsmede de uitgangen lf, rp, enz.
De leerstof voor het zesde boekje was:
De toonloze a, e, i, en ij. De eind-d, b, nk, eeuw, ieuw, au en w. De verdubbeling van medeklinkers en tweelettergrepige woorden.
Het zevende boekje ging over de open a, e, i, oen u. De eind sch en ssch.
Boekje acht ging over vreemde woorden en onnederlandse lettertekens.
In het negende en tiende boekje werden de lesjes besproken.
Deze leesboekjes heb ik in bezit.