
Letterdoosje.
Dit leesplankje heeft geen losse letterdoosjes meer zoals alle vorige uitvoeringen. De 55 lettertjes zitten nu in drie lettervakjes in het plankje die door middel van een klepje afgesloten kunnen worden. De lettertjes zijn net als het plankje ook van plastic.

Klassikale leesplank.
De afmeting van de leesplank is gewijzigd. De letters worden door de gleuven op hun plaats geschoven. Nieuwe woorden en zinnen worden samengesteld en klassikaal aangeboden. De leesplank is voorzien van haken, zodat hij kan worden opgehangen.
Deze leesplank met gleuven kon ook gebruikt worden bij de taalmethode “Ontluikend Leven” van Mej Alderts; in het klassikale leesmeteriaal van Ontluiken Leven komen n.l. ook de hiernaast staande normaalwoorden voor.
Deze leesplank heb ik in bezit.

Vertselselplaat.
De vertelselplaat vormt een centraal onderdeel in Hoogeveen’s methode voor het aanvankleijk onderwijs. De centrale figuur op de plaat is Teun, een man die een aapje aan een touw heeft. Op de plaat is van alles te beleven. De afbeeldingen van de vertelselplaat zijn terug te vinden op het leesplankje. De plaat heeft een afmeting van 123 cm bij 100 cm..
Vanaf 1960 is de plaat gemoderniseerd. Kenmerken van de nieuwere versie is dat de plaat van canvas met twee stoken is gemaakt. En opgerold kan worden.
Deze vertelselplaat heb ik in bezit.






Leesboekjes.
Bij dit plankje van Hoogeveen’s leesmethode horen zes leesboekjes. De boekjes zijn door M.B. Hoogeveen, Jan Ligthart en H. Scheepstra, geschreven, geillustreerd door C. Jetses en bewerkt door E. A. Alderts.
De boekjes zijn 21 bij 17 cm.
Net als het leesplankje zijn de boekjes uitgegeven door J.B. Wolters – Groningen.
Vanaf 1962 deed de gelegenheid zich voor na de keuze om een nieuw lettertype te gebruiken om deze vernieuwing te doen samengaan met een algehele herziening van de tekst.
De inhoud van de boekjes is praktisch ongewijzigd gebleven; de tekst is iets vereenvoudigd en aangepast aan het hedendaagse taalgebruik.
Evenals vroeger bevat het eerste leesboekjeslechts woorden van het type ‘aap’, ‘mij’ en ‘raam’, waarbij , waarbij , met uitzondering van de normaalwoorden van het plankje, woordjes beginnende met h, k, b, p, d, en t zijn vermeden, evenals woorden die met een d of b eindigen.
Het woordje ‘het’ komt wel voor in het eerste boekje. Vanaf blz. negenentwintig komt het tweelettergrepige woord ‘moeder’ ook voor. Ook dit kan men globaal aanleren. De stomme e is evenals in het lidwoord ‘de’ met een kleinere letter aangegeven.
Het eerste gedeelte van het tweede leesboekjebevat hetzelfde type woorden als het eerste; vanaf blz. elf komen er ook in voor de woordjes beginnende met h, k, b, p, d en t. De stomme e, die vanaf blz. twaalf gebruikt is in woordjes als ‘je’, ‘ze’ en ’te’, is nog te klein gedrukt.
Het derde leesboekje bevat eenlettergrepige woorden waarin twee medeklinkers naast elkaar voorkomen. Nog steeds de kleine e klein gedrukt. Af en toe is het woordje ‘heb’ gebruikt.
In het vierde boekje zijn de volgende moeilijkheden verwerkt: de stommer e (nu gewoon gedrukt); de enkele klinker in open lettergrepen; de dubbele medeklinker; de d en de b aan het eind van een woord, en ten slotte de hoofdletters.
Het vijfde boekje geeft woorden met tweeklanken aai, oei, ooi, ou(w), au(w), eeuw en ieuw en de lettercombinaties ng en nk.
In het zesde boekje zijn uitgangen -lijk en -ig ingevoerd.
Ik mis nog een enkel boekje in mijn collectie.