
Letterdoosjes.
Het kleine letterdoosje heeft een diameter van
5,5 cm en is 2 cm hoog en bevat zeventien lettertjes van de 1e regel, het grote doosje is 7,5 cm en is 2,7 cm hoog en bevat achtendertig lettertjes (inclusief de twee streepjes) van de 2e en 3e regel. Tevens bevat dit doosje nog een bundeltje met 8 lettertjes: b, e, g, ee, r, l, i en f, die voorlopig overcompleet zijn. Ze zijn later nodig om zinnetjes te kunnen maken. De twee doosjes zijn van metaal en rood van kleur. Het kleine doosje bevatte de lettertjes van de eerste regel. Het grote doosje de lettertjes van de tweede en derde regel. Na een paar weken worden de lettertjes van het kleine doosje in het grote doosje bij alle andere lettertjes gedaan. Het kleine doosje wordt leeg opgeborgen en er wordt verder gewerkt met alle lettertjes uit het grote doosje.
De lettertjes zijn van stevig pletbord vervaardigd, 23 mm hoog en voor een enkel letterteken 12 mm, en voor een dubbel 16 mm breed. De lettertjes hebben een zwarte streep, die steeds onderaan moeten komen om te voorkomen dat de letters op de kop neergelegd worden.
Als er lettertjes verloren raakten werden er bij de uitgever letterstrookjes aangeschaft. De lettertjes op deze strookjes werden met een schaar losgeknipt of nog beter met een beiteltje afgestoken.
Op de rand van het dekseltje staat:
uitgave van J.B. Wolters – Groningen, Den Haag.
Beide doosjes heb ik in bezit.

Klassikale leesplank.
De plaatjes van de klassikale leesplank zijn vier maal zo hoog en breed als die op het leesplankje. Onder elk plaatje zijn zoveel spijkertjes geslagen, als er letters onder hangen moeten en aan elk spijkertje komt een grote kartonnen letter te hangen, 8 cm hoog; de breedte wisselt met de breedte van de letter. Boven in ’t karton van elke letter is een koperen oog aangebracht, waarmee ze aan ’t spijkertje kan gehangen worden. Onderaan de leesplank is een smal bakje, waarin met de letters gewerkt kan worden; dit verklaart dus de vierde gleuf op ’t plankje. De leesplank kan worden opgehangen of op een ezel gezet.
Zowel het leesplankje als de klassikale leesplank noemen we de “verbeterde leesplank”. Dit komt omdat de eerdere “leesplanken met het gat” van M.B. Hoogeveen volledig vernieuwd is. C. Jetses maakte nieuwe illustraties die het een veel aantrekkelijker aanzien gaf. Hierdoor werd de leesmethode een succes.
De leesplank heb ik in bezit, echter is dit een afbeelding van een andere leesplank.






Leesboekjes.
Bij dit plankje van Hoogeveen’s leesmethode horen zes leesboekjes. Het betreft een Nieuwe uitgave opnieuw geillustreerd door C. Jetses. Ongetwijfeld wordt hierdoor de aantrekkelijkheid van de uitgave zeker verhoogd.
De boekjes zijn bewerkt door M.B. Hoogeveen, Jan Ligthart en H. Scheepstra.
De leesboekjes zijn 21 bij 17 cm.
In 1931 kostte een leesboekje fl 0,45.
Het eerste leesboekje bevat behalve de woordjes van het leesplankje (normaalwoorden) alleen woorden van de vorm oom, moe en raam, en geen woorden, die met b,d,h,k,p of t beginnen, of op b of d eindigen. Als de leerlingen een normaalwoord niet herkennen, worden ze naar de leesplank verwezen. Het boekje vormt zo een heel geleidelijke overgang van het leesplankje naar het leesboekje.
Het tweede leesboekje bevat nog alleen de woorden van de vorm oom, moe en raam. In de tweede helft staan ook woorden, die met b, d, h, k, p, of t beginnen en die geen normaalwoorden zijn; b en d aan ’t eid komen nog niet voor.
Het derde leesboekje bevat hoofdzakelijk nog eenlettergrepige woorden, maar nu komen ook twee medeklinkers naast elkaar voor: aan ’t eind of aan ’t begin. Verder is af en toe het woord “heb” gebruikt. De stof bevat geen enkele “moeilijkheid”, daardoor kan alle aandacht aan het technisch lezen besteed worden. Elk lesje staat nog op een bladzijde.
In het vierde leesboekje wordt bekendheid verondersteld met de stomme e, de volkomen klinkers in open lettergrepen, de dubbele medeklinkers en de d aan ’t eind. De woorden en zinnen zijn nog heel eenvoudig van vorm; de inhoud is zodanig, dat hij door zeer middelmatige leerlingen begrepen wordt. Elk lesje kan worden gelezen, zonder dat een blad behoeft te worden omgeslagen. In het 12de lesje ziet men, welk boekje met dit parallel kan gaan. Pim en Mien I is weer iets gemakkelijker dan dit vierde stukje en kan dus tegelijk met dit gebruikt worden ter oefening in het vaardig lezen. het verdient aanbeveling, de moeilijkste woorden van de lesjes uit dit vierde stukje, voor ze te laten lezen, eerst nog op het leesplankje (of op het dicteerplankje) te laten leggen.
Het vijfde leesboekje kan worden gelezen, als de tweeklanken, de overbodige w, de ng en de nk op het leesplankje behandeld zijn en de bordlesjes uit de Handleiding, welke hierop betrekking hebben, geheel of gedeeltelijk zijn behandeld. Naast dit deeltje gebruikte men het tweede of derde stukje van Pim en Mien.
Het zesde leesboekje komen als nieuwe moeilijkheden voornamelijk voor: sch = s en de achtervoegsels ig en lijk. De woorden en de zinnen zijn alleen naar de vorm iets moeilijker genomen dan in de vorige stukjes; de inhoud is overal even eenvoudig. om het lezen van moeilijker boekjes voor te bereiden, zijn in de laatste lesjes de zinnen niet meer regel voor regel geplaatst. Naast dit boekje gebruikte men Pim en Mien IV.
Net als het leesplankje zijn de boekjes uitgegeven door J.B. Wolters – Groningen – Den Haag.
Ik mis nog diverse boekjes in mijn collectie.