

Letterdoosje.
Het Indische letterdoosje zoals hier afgebeeld is anders dan de eerdere uitvoering uit de periode 1918-1933. Dit letterdoosje is 14 cm lang, 7,5 cm breed en 3 cm hoog. Dit doosje is duidelijk groter en donkerder van kleur en heeft ronde hoeken. Op dit letterdoosje staat Groningen – Batavia. “letterdoosje wordt kosteloos geleverd bij Hoogeveen’s leesplankje voor de scholen in Nederlandsch Oost Indië”.
De lettertjes zijn van stevig pletbord vervaardigd, 2cm hoog. De breedte is afhankelijk van de soort letters. De lettertjes hebben een zwarte streep, die steeds onderaan moeten komen om te voorkomen dat de letters op de kop neergelegd worden.
Dit letterdoosje heb in in bezit.

Klassikale leesplank.
Hoogeveen’s leesplank voor klassikaal gebruik, voor de scholen in Nederlandsch Oost Indië, met vertelselplaat. De vertelselplaat is gedrukt in negen kleuren en heeft een afmeting van 32 bij 104 cm. De plank heeft veertien afbeeldingen (geïllustreerd door C. Jetses) met achtenveertig letterkaarten.
De vertelselplaat kan van de klassikale plank afgenomen worden door haar onder de rechterzijde van de lijst door te schuiven.
Vanaf 1921 werden er klassikale leesplanken verkocht. Jaarlijks niet meer dan vijftig exemplaren. Terwijl in de crisis jaren ’30 de aantallen onder de tien bleven. Totaal zijn er driehonderd leesplanken tot 1941 verkocht.
De vertelling die bij de klassikale leesplank hoorde ging als volgt:
In een mooi huis wonen een vader en een moeder met hun vier kinderen “waar het huis staat, zeg ik nog niet, maar ’t staat ergens op Java”. De kinderen heten Jaap (ongeveer acht jaar), Gijs (zes jaar), Dien (vier jaar) en Zus(twee jaar). Eigenlijk heet de jongste Lientje, maar iedereen noemt haar Zus. Het is ruim 5 uur en de kinderen zijn al gebaad en gekleed. Jaap kreeg van Sinterklaas een schip; daarmee is hij aan het spelen. Hij maakt het zeil in orde, want ‘het schip moet varen op de zee” zegt jaap. Op de plaats, waar de kinderen wonen, is wel geen zee; maar achter het erf langs stroomt een kali; of anders moet een grote kuip maar de zee zijn. Jaap kan ook schelpen vouwen van papier; maar dit schip is echt van hout en het zeil is van linnen. Gijs oefent zich met zijn tol; hij kan er nog niet al te best mee terecht, zodat er soms haast een ongeluk gebeurt; hij mag daar in de voorgalerij wel voorzichtig zijn. Dien is een grappenmaakster; ze speelt met Zus; ze doet een grooten neus voor en dan grijpt Zus ernaar. Wat hebben ze een pret! Boe moet er zelfs om lachen. De tuin is al aangeveegd en van de dorre bladeren heeft Bon in een hoekje van de tuin een vuur aangelegd. Je kunt de rook ervan goed zien. Daar houdt een dogkar voor de poort stil. Waf (vroeger heette hij anders; maar omdat Zus Waf tegen hem zegt, wordt hij door de anderen ook zo genoemd) ziet de kar eerst en begint te blaffen. “Kijk, Kijk”, zegt Boe, ” daar zijn Oom en Tante!” De kinderen vergeten hun speelgoed en kijken allen naar de poort. Ja, ja, werkelijk, daar zijn ze! Oom is al uit de kar gestapt……Papa en mama zijn nog binnen…. Wat er nu verder met de kinderen en met de ouders en met de bedienden gebeurt, zul je naderhand hooren; en als je lezen hebt geleerd, zul je dat ook kunnen lezen in de boekjes, die je dan krijgt.
Deze leesplank zoek ik nog.






Leesboekjes.
Bij dit plankje van Hoogeveen’s leesmethode voor de scholen in Nederlands Oost-Indë, horen vijf leesboekjes. Het betreft een uitgave geïllustreerd met zwarte plaatjes en een gekleurd, door C. Jetses. De vijf leesboekjes zijn uitgegeven met een zachte kaft en hebben een afmeting van 21 bij 17 cm. De boekjes zijn geschreven door A. F. Ph. Mann. Vanaf April 1920 zijn de boekjes op school gebruikt met een oplage van vijftienduizend stuks.
De boekjes zijn in drie perioden uitgegeven:
De vijf boekjes (zie plankje 1917 t/m 1933) zijn uitgegeven rond 1920. Op deze boekjes staat: Groningen – Den Haag.
De vijf boekjes (zie plankje 1917 t/m 1933) zijn uitgeven rond 1926 en hebben een opschrift: Groningen – Den Haag – Weltevreden.
De vijf boekjes (zie plankje 1917 t/m 1933) zijn uitgegeven rond 1932 en hebben een opschrift Groningen – Den Haag – Batavia.
Aan de laatse serie boekjes is in 1935 nog door C. Jetses gewerkt, hier staat Groningen – Batavia (Scottweg 5) en spelling 1934 op. Zie afbeeldingen hierboven.
Het eerste deeltje kan den leerlingen in handen gegeven worden, als men met de voorbereidende oefeningen zoover is gevorderd, dat woorden gevormd uit kl. + medeklinker; medekl +kl.; medekl. +kl. +medekl., geen moeilijkheden meer opleveren. Na de lesjes bij de normaalwoorden komt eerst het woord rijst, als voorloper van loopt, kijkt, roept enz. Ook komt een enkele maal de achtergevoegde s in ’t woord eens. Het tweelettergreperig woord bam-boe vormt geen moeilijkheid.
In het tweede leesboekje komt de d als in goedenz. als eindletter voor. De woordjes touw en vrouw worden behandeld als normaalworden. De ervaring leerde, dat het aanvankelijk leesonderwijs in heel wat sneller tempo kan plaats hebben, dan in menige leesmethode het geval is; men treft in dit tweede deeltje dan ook reeds de toonloze lettergrepen te, je enz. aan (ingeleid door het toonlooze de) en verder enkele meerlettergrepige woorden. Elk flink kind leert, met hulp en voorzeggen van moeder, zich zelf lezen, hoeveel te beter moeten dan de voorderingen zijn met een hulpmiddel als Hoogeveen’s leesplankje en onder leiding van een gediplomeerd onderwijskundige.
In het derde leesboekje wordt bekendheid verondersteld met.
a. de hoofdletters
b. alle letters behalve de c, q, x en y.
c. de tweeklanken ooi, aai, ieu, enz.
d. de ng en nk.
Nog niet bekend is dus de uitspraak der klinkers in: va-der, we-gen, bo-gen, fa-bri-kant, bu-ren.
Naast dit deeltje gebruikte men het tweede stukje van pim en Mien.
In het vierde leesboekje wordt bekendheid verondersteld met alle letters en letterverbindingen, behalve met de vreemde letters. Nieuw is dus de- uitspraak van de toonloze i en ij en den enkel geschreven klinker in open lettergrepen. Naast dit deeltje gebruikte men het tweede of derde stukje van Pim en Mien III als door-renboekje.
In het vijfde en laatste deeltje komen alle verdere moeilijkheden van het technisch lezen aan de orde. Deze worden eerst op ’t bord behandeld en daarna door meerdere voorbeelden uitgebreid. Naast dit deeltje gebruikte men het door-ren-boekje Pim en Mien, 4 de stukje.
Deze leesboekjes zoek ik nog.